Tegen de ontzuiling in het Algemeen Kristelijk Kunstenaarsverbond

(Erasmusplein 7(1996), nr. 3)


In 1995 bestond het Algemeen Kristelijk Kunstenaarsverbond (tot 1961 de Algemene Katholieke Kunstenaarsvereniging) 75 jaar. Naar aanleiding van dit jubileum is een tentoonstelling gehouden in het Museum voor Religieuze Kunst te Uden. Voor twee artikelen van de catalogus Ars Domini. Een gebed zonder end heb ik gebruik gemaakt van het archief van het AKKV, dat het KDC in beheer heeft. Dit archief heeft vele hiaten: het heeft vooral betrekking op de periode 1920-1960 en het bevat bovendien voornamelijk materiaal van de Groep Bouwkunst van deze vereniging.
De vooroorlogse periode
Het initiatief tot de oprichting van de Algemene Katholieke Kunstenaarsvereniging werd genomen door het Centraal Bureau van de Katholieke Sociale Actie (KSA). Dit bureau stelde een kunstcommissie in, die de oprichting van de AKKV moest voorbereiden. De KSA had in het algemeen een uitbreiding van het aantal katholieke organisaties op het oog, die de katholieke emancipatie moesten bevorderen. Met de oprichting van de AKKV werd voorzien in de behoefte aan een algemene landelijke overkoepelende katholieke kunstenaarsorganisatie, naast de reeds bestaande katholieke kunstverenigingen. In de oprichtingsvergaderingen waren afgevaardigden van plaatselijke kunstverenigingen van katholieke signatuur aanwezig, zoals Herman van den Eerenbeemt en Frank Luns. De voorzitter van de KSA, architect A. Tepe, had deze afgevaardigden bijeengebracht. Als adviseur fungeerde de latere bisschop van Haarlem, J.D.J. Aengenent. De feitelijke oprichting van de akkv had plaats op 22 december 1920.
De leden van de AKKV organiseerden zich in vakgroepen. De Groep Bouwkunst kwam als eerste van de grond, daarna volgde de Groep Beeldende Kunsten. De Groep Bouwkunst was tot na de Tweede Wereldoorlog de meest actieve groep. Door deze groep werd het blad Mededeelingen uitgegeven, waarin men naast verenigingsnieuws ook architectonische vraagstukken behandelde.
Na een nogal moeizame start (de vereniging had in 1921 74 leden), kreeg de akkv vanaf de jaren dertig steeds meer leden en trok zij met name de aandacht door haar studiedagen te Huybergen, waar door verschillende kunstenaars (vooral architecten) vraagstukken werden besproken op het gebied van kerkelijke kunst. De Delftse hoogleraar M.J. Granpré Molière zag in deze studiedagen de beginselverklaring van wat later binnen de architectuur de Delftse School werd genoemd. Het in 1929 op-gerichte R.K. Bouwblad werd als de spreekbuis van deze richting gezien. Dit blad had een sterk traditionele inslag.
Het episcopaat hechtte er veel belang aan dat elke katholieke kunstenaar in Nederland zich zou aansluiten bij de AKKV. Lange tijd werd zij beschouwd als de standsorganisatie van katholieke kunstenaars. De leden waren vrijwel altijd ook nog georganiseerd in een van de neutrale vakverenigingen. Voor de leden van de Groep Bouwkunst bijvoorbeeld was dit de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). In een periode van volledige verzuiling van de samenleving was het opmerkelijk dat een dergelijk neutraal lidmaatschap door het episcopaat niet werd verboden.
Na de oorlog
Na de oorlog kwam de vereniging tot volle wasdom. De Groep Bouwkunst fuseerde in 1946 met de Katholieke Vereniging van Architecten (KVA) en in 1948 trad de RK Vereniging van Toonkunstenaars (RKVT) toe tot de AKKV. Hiermee nam het ledental flink toe. De Groep Toonkunst was nu de meest actieve groep.
De toenemende ontkerkelijking van de Nederlandse samenleving in de jaren zestig en zeventig liet de AKKV niet onberoerd. Katholieke kunstenaars waren minder geneigd zich aan te sluiten of wilden zich niet meer als katholiek profileren. Vanwege haar financiële problemen nam de AKKV in 1961 een federatieve status aan en ging voortaan het Algemeen Katholiek Kunstenaarsverbond heten. Door verschillende fusies werd het proces van absolute ledenafname nog tot in de tweede helft van de jaren '60 tegengehouden. Zo bestond het AKKV in 1963 uit 850 leden, waarmee het groter was dan ooit. In de tweede helft van de jaren zestig verlieten echter zowel de Katholieke Dirigenten en Organisten Vereniging (KDOV) als de Rooms-Katholieke Vereniging van Toonkunstenaars (RKVT) het AKKV.
Het is opvallend dat het AKKV zich niet, zoals vele andere katholieke organisaties in deze periode, aansloot bij een algemene vakorganisatie van kunstenaars. Er werd enigszins krampachtig vastgehouden aan de katholieke signatuur. Het verbond ging in de komende decennia steeds meer leunen op enkele steunpilaren die het draaiende probeerden te houden. Architect Herman Reuser was er hier een van. In de jaren '80 onderging het verbond echter een identiteitsverandering, het werd oecumenisch en nam de naam Algemeen Kristelijk Kunstenaars Verbond aan.
De betekenis van het AKKV
Het AKKV heeft onder zijn leden een groot aantal noemenswaardige kunstenaars geteld. Men denke hierbij aan hoogleraar M.J. Granpré Molière, de architecten Jan Stuyt, F.P.J. Peutz, A.J.N. Boosten, A.J. Kropholler, Jan en Nico van der Laan en H.M.A. van Helvoort. Daarnaast kende de Groep Beeldende Kunsten leden als Jan Eloy en Leo Brom, A.C. Ninaber van Eyben en Nico Witteman; de schilders Kees Dunselman, Charles Eijck, Henri Jonas en Otto van Rees; beeldhouwers als Mari Andriessen, Albert Termote en Charles Vos.
Andere prominente leden waren Anton van Duinkerken, Pieter van der Meer de Walcheren, Alphons Laudy en Gerard Brom; de musicologen J. Smits van Waesberghe en de franciscaan Cassianus Hentzen, die lange tijd de geestelijk adviseur van het AKKV was. Dit is slechts een greep uit het totale ledenbestand. De voorzitters van de AKKV Joseph Cuypers, P.G. Buskens, Alphons Siebers, Joan Collette, Herman van den Eerenbeemt, A. Wijffels, Willem Andriessen, Bernard Verhoeven en Herman Reuser vormden de pijlers waarop de vereniging steunde.
De belangrijkste organen van de vereniging waren het eerder genoemde R.K. Bouwblad (1929-1940), Van Bouwen en Sieren (1930-1933) en het Katholiek Bouwblad (1946-1959). Met deze organen (en met de studiedagen van Huybergen) had de AKKV een duidelijke stem binnen de Nederlandse architectuur en de christelijke kunst in het algemeen.
In de bladen en in de notulen van vergaderingen waren echter weinig andere geluiden te horen dan het door het episcopaat voorgestane standpunt over kerkelijke kunst. Men kan de AKKV dus niet als een vernieuwende vereniging ten aanzien van de kerkelijke kunst beschouwen, al waren sommige leden wel vernieuwend in hun werk.
Belangenbehartiging
De vereniging is gedurende haar bestaan voortdurend bezig geweest de belangen van de katholieke kunstenaar te behartigen. Zij was in principe geen vakorganisatie, maar een vereniging die zich over de verschillende aspecten van de christelijke kunst boog en probeerde deze kunst tot een hoger peil te verheffen. De bestuurders van de AKKV benadrukten de noodzaak van het bestaan van de vereniging en van aansluiting hierbij als katholiek kunstenaar. Zij werden hierin sterk gesteund door de bisschoppen, die tot in de jaren '60 veel steun gaven aan het voortbestaan van het AKKV. De leden werden doorgaans vanuit praktisch oogpunt lid. Zo was het voor architecten volgens bisschoppelijke bepalingen een verplichting katholiek georganiseerd te zijn.
Het opmerkelijke van het AKKV is, dat het zich ondanks de secularisering lange tijd als katholiek verbond staande wist te houden en uiteindelijk als enig compromis zijn katholiek karakter heeft verruimd tot een christelijk karakter. Dit terwijl de meeste katholieke organisaties na de periode van verzuiling in Nederland overgingen tot het aannemen van een neutrale signatuur of zich aansloten bij een grotere algemene organisatie.
De laatste jaren kenmerkt het AKKV zich volgens de huidige leden (plm. 130) weer als een groeiende en redelijk actieve vereniging na jaren op een laag pitje gebrand te hebben. Dit schrijven de leden voor een groot deel toe aan de opleving van de religieuze kunst.

kdc/mvde