../Beknopte geschiedenis van het Nederlands katholicisme

in de negentiende en twintigste eeuw


1. Zestiende tot achttiende eeuw

2. Herleving (1795-1890)

3. De opbouw van de katholieke zuil (1890-1940)

4. Tweede Wereldoorlog (1940-1945)

5. Herstel en twijfel (1945-1960)

6. Conciliaire hervormingen (1960-1970)

7. Polarisatie en reactie (1970-1993)


Zestiende tot achttiende eeuw

De Nederlandse Opstand tegen Spanje, begonnen in de jaren zestig van de zestiende eeuw, stond al spoedig mede in het teken van een strijd tussen protestanten en katholieken. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd de Nederduitse Gereformeerde Kerk als 'ware religie' en dus als bevoorrechte kerk behandeld, maar zij kreeg nooit de status van staatskerk. Zo ontwikkelde de Republiek zich als een multiconfessionele samenleving, waarin de katholieken zich als minderheidskerk redelijk konden handhaven, al moesten zij hoge kosten maken om ontheffingen van anti-katholieke maatregelen ('plakkaten') te krijgen.
Toch brokkelde het aantal katholieken geleidelijk af, omdat zij in de praktijk van hoge ambten waren uitgesloten, en anderzijds maar spaarzaam van de armenkassen profiteerden.
De Utrechtse kerkprovincie (het gebied boven de rivier de Waal) was nog maar nauwelijks opgericht of zij werd in 1592 door Rome weer tot missiegebied verklaard. De zogeheten Hollandse Zending kwam onder leiding te staan van een apostolisch vicaris. De zuidelijke gewesten vielen in die tijd onder de Mechelse kerkprovincie.
Rond 1700 leed de Hollandse Zending onder een ernstige interne crisis rond de van jansenisme beschuldigde apostolisch vicarissen Neercassel en Codde. Daaruit ontstond in 1723 de Oud-Katholieke Kerk (Oud-Bisschoppelijke Clerezij).
Nadat in 1717 de apostolisch vicaris definitief door de Staten-Generaal uit het land was verbannen werd deze functie voortaan waargenomen door de pauselijke nuntius in Brussel.
(terug)

Herleving (1795-1890)

In 1795 werd de Bataafse Republiek uitgeroepen. De katholieken verkregen nu officieel vrijheid van godsdienst. De samenvoeging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden onder koning Willem I bezorgde de katholieken zelfs een meerderheidspositie. De Belgische Opstand leidde echter in 1830 tot een splitsing van het koninkrijk in Nederland en België. De katholieken vormden nu ongeveer 38% van de Nederlandse bevolking, voor een belangrijk deel woonachtig in Brabant en Limburg.
Tussen de Belgische kerkprovincie Mechelen en de Noord-Nederlandse Hollandse Zending werden in 1801 de Apostolisch Vicariaten van Breda, 's-Hertogenbosch, Megen en Grave ingericht; in Limburg was het bisdom Roermond tot 1840 verdeeld onder de bisdommen Luik en Aken (kaart). De katholieken konden nu hun schuilkerken vervangen door nieuwe kerken, er werden instituten voor priesteropleiding gesticht, en het kloosterleven kon weer worden opgebouwd. In deze tijd verschenen ook de eerste katholieke dagbladen en tijdschriften.
In 1853 richtte paus Pius IX de Utrechtse kerkprovincie op, bestaande uit het aartsbisdom Utrecht en de bisdommen Haarlem, 's-Hertogenbosch, Breda en Roermond. Dit 'herstel' van de hiërarchie ging gepaard met een storm van protesten van protestantse zijde (de Aprilbeweging).
De nieuwe bisschoppen besteedden in de eerste jaren veel aandacht aan de reorganisatie van hun bisdom en de opbouw van een goede infrastructuur van parochies. Het provinciaal concilie van 1865 sloot deze jaren van herstel symbolisch af. Een belangrijke voorwaarde voor de katholieke herleving werd gevormd door de orden en congregaties. Naast nieuwe Nederlandse stichtingen vestigden zich ook Duitse en Franse congregaties in Nederland, uitgeweken voor anticlericale maatregelen in eigen land. De religieuzen bouwden een netwerk op van katholieke scholen, ziekenhuizen en armenzorg. Zij gaven aan het eind van de negentiende eeuw ook de aanzetten voor de opvallende missie-ijver onder de Nederlandse katholieken.
De katholieke herleving kwam ook op cultureel terrein tot uiting. De Amsterdamse koopman-schrijver J.A. Alberdingk Thijm was daarvan de welbespraakte woordvoerder, de neogotiek in de kerkenbouw (P.J.H. Cuypers) en in de kerkelijke kunst (edelsmidse Brom) was er de meest opvallende uitdrukking van.
Tot halverwege de jaren vijftig van de negentiende eeuw kende het Nederlandse katholicisme een invloedrijke liberale stroming. Na de invoering van de bisschoppelijke hiërarchie werden de Nederlandse katholieken echter in toenemde mate conservatief en ultramontaans (op Rome gericht). Deze ontwikkeling was mede te danken aan de liberale politici, die bleven weigeren het bijzonder onderwijs te subsidiëren en zo katholiek onderwijs naast staatsonderwijs mogelijk te maken. Deze schoolstrijd, ingezet door de antiliberale encycliek Quanta Cura (1864) en het bisschoppelijke Onderwijsmandement (1868) werd uiteindelijk door een katholiek-protestante coalitie gewonnen. In 1888 kwam een nieuwe wet op het lager onderwijs tot stand, en in 1917 werden openbaar en bijzonder onderwijs volledig gelijk gesteld.
(terug)

De opbouw van de katholieke zuil (1890-1940)

Het Nederlandse katholicisme in de eerste helft van de twintigste eeuw kenmerkte zich door een groeiend zelfbewustzijn. Geloofsverdediging maakte plaats voor geloofsverbreiding (Apologetische Vereeniging Petrus Canisius (1904), Actie 'Voor God' (1936)). De missionaire energie richtte zich echter vooral op landen buiten Europa: er kwam een intensieve 'missiebeweging' op gang, en zowel in financieel als in personeel opzicht leverde katholiek Nederland een zo grote bijdrage aan het missiewerk van de kerk, dat het als 'Hollandia docet' door de paus ten voorbeeld werd gesteld.
Onder de Nederlandse katholieken heerste er in deze jaren een sterke groepsgeest en een effectieve sociale controle. De kerkelijke overheid beschikte naast het katholieke onderwijs over een breed scala van sociale, culturele en recreatieve organisaties om het dagelijks leven en werken van de katholieken te sturen. Het meest effectieve middel was echter de biechtstoel. De voorschriften op het terrein van goede zeden, seksualiteit en huwelijksleven werden voortdurend ingeprent. Dat de kerk daar in hoge mate in slaagde blijkt onder meer uit het hoge geboorteniveau van de Nederlandse katholieken.
Op politiek terrein gingen de katholieke politici op initiatief van Herman Schaepman samenwerken in de Katholieke Kamerclub. In 1904 werd een Bond van RK Kiesvereenigingen opgericht, die in de praktijk al RK Staatspartij werd genoemd. Officieel werd deze partij in 1926 opgericht. Bij de verkiezingen van 1918, waarbij voor het eerst het systeem van evenredige vertegenwoordiging werd gehanteerd en een algemeen kiesrecht voor mannen gold, behaalden de katholieken 30 van de 100 kamerzetels. Daarmee waren zij de grootste partij geworden. Voor het eerst kreeg Nederland een katholieke minister-president (Ch. Ruijs de Beerenbrouck).
Een katholieke arbeidersbeweging kwam op aan het einde van de jaren tachtig van de negentiende eeuw. De encycliek Rerum Novarum speelde daarin een zeer stimulerende rol. De vormgeving van de arbeidersorganisaties werd lange tijd gehinderd door een discussie over de vraag of zij nu standsorganisaties of vakorganisaties zouden moeten zijn. De bisschoppen hakten in 1916 de knoop door met de bepaling dat deze organisaties bovenal standsorganisaties dienden te zijn. Zo kwamen in de eerste decennia van deze eeuw onder meer tot stand de Nederlandse RK Middenstandsbond (1915), de Algemene RK Werkgeversorganisatie (1915) en het RK Werkliedenverbond (1925).
Inmiddels ging de opbouw van het katholieke onderwijs gestaag voort. Er kwam een vrijwel dekkend netwerk van lagere scholen, en mede door de inspanningen van verschillende ordes (jezuïeten, augustijnen, franciscanen, dominicanen) ook van middelbare scholen. In Tilburg werden de RK Leergangen (1912) en de RK Handelshogeschool (1927) opgericht, in Nijmegen werd met de oprichting van de RK Universiteit (1923) 'de kroon op het werk' gezet.
(terug)

Tweede Wereldoorlog (1940-1945)

De Nederlandse bisschoppen hebben al vroeg gewaarschuwd voor zowel rechts- als links-radicalisme. In verklaringen van 1934 en 1936 werden zware kerkelijke straffen verbonden aan zowel fascistische als communistische activiteiten.
De Nederlandse bisschoppen hebben onder leiding van aartsbisschop J. de Jong zoveel mogelijk verzet geboden aan de Duitse bezetters. Zij werkten daarin nauw samen met de protestantse kerkelijke leiders in het Inter-Kerkelijk Overleg. De 'gelijkschakeling' van katholieke verenigingen, organisaties en instellingen werd vaak praktisch onmogelijk gemaakt door een massale leegloop van leden of een tijdige opheffing. Onder de dekmantel van de Katholieke Actie werden organisatorische taken zoveel mogelijk voortgezet, en een Fonds Bijzondere Noden ontfermde zich over de talrijke functionarissen die nu werkeloos waren geworden.
(terug)

Herstel en twijfel (1945-1960)

Tijdens en onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog zijn er in de zogenoemde doorbraakbeweging pogingen gedaan het politieke en maatschappelijke leven sterk te vernieuwen. De bisschoppen en de leiders van de katholieke zuil streefden echter naar een zo volledig mogelijk herstel van de vooroorlogse situatie. In hun ogen was dit herstel immers ook een rechtsherstel.
De oprichting van de Katholieke Volkspartij in 1945 luidde de mislukking van de doorbraakbeweging in, en het hele katholieke verenigings- en organisatieleven werd in 1945-1946 weer opgebouwd. Op deze wijze poogde de kerk de desintegrerende en seculariserende gevolgen van de snelle modernisering van de Nederlandse samenleving tegen te houden.
Ogenschijnlijk deed zij dit met succes. Tot ver in de jaren vijftig steeg de verzuilingsgraad van katholiek Nederland nog. Een kritische onderstroom, die wortelde in de doorbraakbeweging, bleef echter aanwezig. Niet alleen de intellectuele elite, maar ook de gewone parochiepriesters kregen het gevoel dat een traditioneel, gesloten katholicisme tekort schoot in de moderne samenleving. Spreekwoordelijk voor deze onvrede was de verschijning in 1950 van de bundel Onrust in de zielzorg. De splitsing van het bisdom Haarlem en het aartsbisdom Utrecht in 1956 beoogde de bestuurbaarheid van deze grote bisdommen te verbeteren.
Bij de viering van het eeuwfeest van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1953) en in het bisschoppelijk mandement De katholiek in het openbare leven van deze tijd (1954) pleitten de bisschoppen nog eens nadrukkelijk voor een sterke katholieke eenheid als 'uitvalsbasis' naar de samenleving. Het mandement had echter een boemerangeffect: de katholieken werden zich des te meer bewust van hun behoefte aan openheid.
In de tweede helft van de jaren vijftig zijn de eerste aanzetten waar te nemen voor een roerige vernieuwingsbeweging. De kerkelijke disciplinering, die zich steeds sterk had gefixeerd op de (sexuele) moraal, werd binnen de opkomende geestelijke gezondheidszorg ter discussie gesteld (Katholiek Nationaal Bureau voor Geestelijke Gezondheidszorg, onder leiding van A. Bartels en C. Trimbos, maandblad Dux met hoofdredacteur Han Fortmann), en steeds meer katholieke organisaties begonnen hardop twijfel te uiten aan de zin van hun 'K'. Het brede katholiek sociaal program dat de bisschoppen in 1954 hadden bepleit verscheen uiteindelijk in 1960-1963 bescheiden als 'een katholiek uitzicht op de Nederlandse samenleving' (ondertitel van het vijfdelige Welvaart, welzijn en geluk).
(terug)

Conciliaire hervormingen (1960-1970)

Het door paus Joannes XXIII aangekondigde aggiornamento van de kerk en het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) vielen in Nederland in vruchtbare bodem. De invoering van de volkstaal in de liturgie en een vermindering van trouw aan de moraal waren de eerste opvallende kenmerken van de vernieuwingen. Deze ontwikkelingen werden bevorderd door het open optreden van de populaire Bossche bisschop W. Bekkers.
Door het uitgeven van de Nieuwe Katechismus (1966) en het houden van het Pastoraal Concilie van de Nederlandse Kerkprovincie (1969-1970) wilde het episcopaat onder voorzitterschap van kardinaal B. Alfrink de kerkelijke vernieuwing stimuleren en er leiding aan geven. In feite leidden deze initiatieven mede tot een zich autonoom ontplooiende vernieuwingsbeweging, die eind jaren zestig internationaal de aandacht trok. Er ontstonden kritische groepen te linker- (Septuagint, Amsterdamse Studentenekklesia) en te rechterzijde (Confrontatie, Waarheid en Leven) van de kerk.
Het elan van de vernieuwingsbeweging verhulde aanvankelijk de tegelijkertijd toenemende ontkerkelijking. Er had een vervaging van geloofsopvattingen plaats (enquêtes God in Nederland, 1967, 1979) en het kerkbezoek daalde van 64,6% in 1966 naar 46,3% in 1970. Deze tendens zette zich in de decennia daarna voort (13,1% in 1991).
Het oecumenische gesprek was al tijdens de Tweede Wereldoorlog begonnen, maar vond tot halverwege de jaren zestig uitsluitend informeel plaats in talrijke gesprekskringen. De overgang van prinses Irene naar de katholieke kerk in 1964 en de verontwaardiging over haar 'voorwaardelijke herdoop' leidde echter tot contacten op officieel niveau. In 1968 werd de Raad van Kerken opgericht, en in de jaren 1967-1968 vonden wederzijdse dooperkenningen plaats tussen de katholieke en verschillende protestantse kerken.
De vernieuwingsbeweging ging gepaard met een dramatisch snelle ontzuiling van de Nederlandse samenleving. Het merendeel van de katholieke organisaties deconfessionaliseerde door opheffing of fusies met protestantse of niet-confessionele organisaties. Ook in het stemgedrag kwam de ontzuiling tot uitdrukking. In 1963 trok de KVP nog 31,9% van de Nederlandse kiezers, in 1972 was dat nog maar 17,7%.
(terug)

Polarisatie en reactie (1970-1993)

De vernieuwingsbeweging leidde in Rome tot ernstige ongerustheid, die tot uitdrukking kwam door de benoeming van een aantal zeer behoudende bisschoppen. Deze gebeurtenissen brachten in katholiek Nederland een hoog oplopende polarisatie teweeg, die tot in de jaren negentig zou duren.
Er werden verschillende pogingen gedaan deze polarisatie een halt toe te roepen, maar noch de in 1973 door de bisschoppen ingestelde Commissie Pluriformiteit, noch het verzoenende gebaar van de benoeming van kardinaal J. Willebrands tot opvolger van kardinaal Alfrink op de Utrechtse zetel hadden het beoogde effect. Zelfs binnen de bisschoppenconferentie zelf bleek geen eenheid te bestaan en waren de verhoudingen verstoord. Met een Bijzondere Bisschoppensynode poogde paus Joannes Paulus II in 1980 persoonlijk de bisschoppen op één lijn te krijgen, maar met weinig succes.
Het bezoek van de paus aan Nederland in 1985 was geen onverdeeld succes. Wel werd het aanleiding voor een grootscheepse manifestatie van progressief-katholieke verenigingen en organisaties in Den Haag onder het motto: 'Het andere gezicht van de kerk'. Uit deze manifestatie ontstond de Acht Mei Beweging als 'platform' voor onder meer Open Kerk (1972), de Mariënburgvereniging (1983), de Federatie van Verenigingen voor Pastorale Werkers (1987), Pax Christi, verscheidene ordes en congregaties, in totaal circa 200 organisaties. Sinds 1985 houdt de Acht Mei Beweging jaarlijks een grote manifestatie.
De meer behoudende katholieken organiseerden zich een jaar later in het Contact Rooms Katholieken (1986). Bovendien wordt voor deze groep sinds 1983 een Katholiek Nieuwsblad uitgegeven, aanvankelijk drie maal per week, en sinds enkele jaren als weekblad.
De deconfessionaliseringstendens bereikte rond 1980 ook de grote organisaties. In 1980 kwam er een brede christen-democratische politieke partij tot stand (Christen Democratisch Appèl, CDA); in 1981 ging het Nederlands Katholiek Vakverbond samen met het socialistische Nederlands Verbond van Vakverenigingen in de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV).
De resterende katholieke organisaties gingen in de tweede helft van de jaren tachtig meer aandacht besteden aan hun identiteit. Op initiatief van de Katholieke Raad voor Kerk en Samenleving (opgericht in 1975) ontstond er een voorzittersoverleg in 1986 (Allerheiligenberaad) en het Verbond van Katholieke Maatschappelijke Organisaties in 1988.
De kerkelijkheid onder de Nederlandse katholieken is in de afgelopen decennia blijven dalen. Het aantal katholieken is sinds 1960 gedaald van 40,4% naar circa 35%; van deze katholieken bezoekt ongeveer 13% wekelijk de kerk. Daar staat echter tegenover dat deze tamelijk kleine groep blijk geeft van een zeer grote kerkelijke betrokkenheid.
(terug)

951106/lw


TERUG NAAR INDEX GESCHIEDENIS